Analyse en vragen kortverhaal: Doe de Hotel California (Rob Van Essen)

1      Narratologische aspecten

1.1    Verhaalopbouw

 

De ik-persoon die het verhaal vertelt, begint de vertelling met een reflectie over herinneringen en jeugdsentiment. Hij kondigt met de woorden “ik heb ook een herinnering, en hij gaat als volgt.” het begin van het kortverhaal aan. Het verhaal verloopt chronologisch en er wordt gebruik gemaakt van een flashback naar een schoolreis naar Otterloo, waar het ik-personage geen fijne herinneringen aan heeft. Hierna volgt een gat in de tijd van twaalf jaar, waarna het verhaal verder loopt. Door dit gat in de tijd kunnen we spreken van een discontinu verloop van het verhaal.  Ook dit stuk van het verhaal verloopt weer chronologisch, maar het wordt vertraagd door opnieuw gebruik te maken van flashbacks en zeer gedetailleerde omschrijvingen. Het verhaalbegin is een voorbeeld van een ‘in ultimas res’. Het hele kortverhaal is in feite een terugblik op de jeugdbelevenissen van het hoofdpersonage en dat wordt in de eerst alinea duidelijk gemaakt. Qua verhaaleinde is er sprake van een open einde. Wij als lezers stellen ons nog enkele vragen, waaronder: is het hoofdpersonage gestorven, of leeft hij nog? Dit is mede omdat de auteur enkele zaken heel erg vaag houdt, waardoor hij wilt dat iedereen het verhaal anders interpreteert en daardoor andere verwachtingen heeft over het verhaaleinde. Verder is de verhaalstructuur volgens ons een voorbeeld van een cyclische opbouw. Aan het begin van het kortverhaal geeft het hoofdpersonage zijn visie op herinneringen weer. Na het uitleggen van die visie geeft hij een voorbeeld van zo’n herinnering en uiteindelijk wordt het kortverhaal afgesloten met het nuanceren van zijn oorspronkelijke visie. Eerst zei hij dat er niets mis is met herinneringen maar wel met jeugdsentiment en uiteindelijk zei hij dat er niets mis is met herinneringen, als je tachtig bent. Er is op het einde dus een duidelijke verwijzing naar het begin van het verhaal.

 

1.2    Motieven

 

Het eerste motief dat we tegenkomen staat meteen in de titel van het kortverhaal. We hebben het hier dan over het nummer Hotel California van de Eagles (1976). Dit is een concreet motief en meer bepaald een verhaalmotief/gebonden motief. Het gaat namelijk om het verband tussen de eerste keer dat het nummer wordt gespeeld en de tweede keer. Dit nummer heeft voor de ik-persoon een bepaalde waarde, want het is het nummer waar op zijn klasfeest vele koppeltjes een slow op dansten. Maar de ik-persoon danst in zijn eentje een eigen versie omdat hij kleiner is dan de meeste meisjes en geen goede herinneringen had aan koppeldansen. 12 jaar later vraagt Clarence het bij de muzikanten in Ierland aan als verzoeknummer, maar daar houden ze eerst niet van het nummer. Een tijdje later wordt het dan toch gedraaid door de diskjockey van de kelder van het Riverside Hotel. De ik-persoon danst dan samen met Clarence op het nummer. Daarnaast is het nummer ook een vrij motief omdat het een mooi metafoor is voor de situatie waarin het hoofdpersonage zich bevindt. Hij is eenzaam en op zoek naar een uitweg, maar net zoals in het nummer is die uitweg niet gemakkelijk te vinden. ‘The beast’ in het nummer zou dan weer kunnen staan voor de dagelijkse sleur waar mensen vaak in terecht komen en er moeilijk uit te geraken.

Vervolgens komen ‘eenzaamheid’ en ‘het aan de rand staan van iets’ ook enkele keren terug in het verhaal. We zouden dit leidmotieven kunnen noemen omdat het vooral de karaktertrek van de ik-persoon benadrukt. Hij is alleen in de herberg aan de rand van de Atlantische Oceaan, hij staat aan de rand van de dansvloer, hij danst alleen… Eerst voelt hij zich ook echt eenzaam. Maar op het moment dat hij met Clarence danst beseft hij dat die vreemde schaatspas die hij alleen deed op het klasfeest, de jaren erna geïmiteerd werd en hij dus een trend had gezet. Opeens leek het allemaal niet zo erg. Hij had er zelfs een foto van nabesteld omdat hij zich daardoor eventjes belangrijk vond en dus niet meer alleen of aan de rand van iets stond. Deze leidmotieven verwijzen ook naar het grondmotief. Het grondmotief luidt als volgt: ‘De zoektocht naar een plaats in de samenleving.’ Daarnaast is er nog een vreemd element dat terugkeert in het verhaal: de twee ‘beschermengelen’. De eerste keer is op het klasfeest in Otterloo. Ze staan tegen de kant en wiens beschermengelen het zijn is niet duidelijk. Misschien zijn ze van niemand of misschien zijn ze van Amanda Min en komen ze kijken waarvoor ze haar hebben behoed door haar op tijd ziek te maken. Maar ze keken naar de ik-persoon en de jongste zei: ‘Kijk, kijk, a star is born.’ En de andere die op Terence Stamp lijkt zegt dat ‘star’ voor Seksueel Tamelijk Ambivalent Rukkertje staat. De tweede keer dat ze voorkomen is na de nacht in de kelder, wanneer de ik-persoon zat terugkomt met Clarence in de jeugdherberg. Ze zijn ouder geworden en hun vleugels zijn nog groezeliger dan toen in Otterloo. Met hun armen over elkaar kijken ze glimlachend naar wat zich voor hun ogen afspeelt. Ze speculeren over wat er zal gebeuren. Deze twee engelen zijn een vrij motief omdat ze geen deel uitmaken van de vertelde geschiedenis, maar ze zorgen eerder over een filosofische uitweiding. Ze zetten je aan het denken waarover het nu precies gaat, want de ik-persoon kan ze kennelijk wel zien.

Ten slotte het hoofdmotief gaat zoals eerder verteld over de zoektocht naar een plaats in de samenleving en daardoor gaat het ook over ‘herinneringen’ en ‘gemis’, want die maken beide deel uit van die zoektocht. De ik-persoon heeft veel kansen heeft laten schieten en zo zijn herinneringen beperkt. Hij staat een beetje vreemd tegenover jeugdsentiment, wat erop kan wijzen dat hij niet tevreden is over het leven dat hij geleden heeft. Onduidelijk is of de ik-persoon nog in leven is of niet en wanneer hij zijn herinnering juist vertelt.

1.3    Ruimte

 

In dit kortverhaal zijn er enkele geografische ruimtes aanwezig. De eerste is de eetzaal in de kampeerboerderij van Otterloo. Dat kunnen we benoemen als een gemarkeerde ruimte want Otterloo is een Nederlandse gemeente en daarom exact aan te duiden. Een ruimte waar ze zich tijdens het verhaal niet bevinden, maar waar wel naar verwezen wordt is Ede. Ook dat zou een gemarkeerde ruimte zijn. Iets later in het fragment bevindt de man zich aan de Atlantische kust, die kust is zeer groot en daarom vind ik het eerder een diffuse ruimte. Je weet niet waar hij exact is, je hebt maar een vaag idee. Nog iets verder wordt vermeld dat hij zich in Ierland bevindt. Dat is in onze ogen ook eerder een diffuse ruimte want Ierland omvat een zeer ruim gebied.

Naast enkele geografische ruimtes was er ook een sfeerscheppende ruimte aanwezig, namelijk de eetzaal in de kampeerboerderij. In die ruimte hangt een visnet aan het plafond waarin zeesterren en gekleurde glazen bollen hangen. Dat is een beeld dat we ons meteen kunnen inbeelden en zouden omschrijven als ‘kitsch’. Als we denken aan een dansfeest van een school is dat ook het woord dat bij ons naar boven komt. De versieringen in die eetzaal roepen een nogal onechte, ongemakkelijke, maar tegelijk ook levendige sfeer op. Ook op de dansfeesten die wij ons herinneren was dat altijd wel aanwezig. Iedereen was uitgelaten en voelde zich groot omdat ze eindelijk eens naar een feestje mochten, maar eigenlijk liep iedereen er nogal ongemakkelijk en overdressed bij. Daarom weerspiegelt de decoratie volgens ons perfect de sfeer die een dansfeest meestal heeft. De ruimte schept dus een bepaalde sfeer, maar omdat we het bijna als een clichéruimte ervaren kunnen we de eetzaal even goed bestempelen als een topos.

Daarnaast hebben we nog de symbolische ruimtes die volgens ons overvloedig aanwezig waren in het verhaal. Een eerste voorbeeld hiervan is weer de eetzaal, alle banken zijn er aan de kant geschoven en in het midden ligt een grote, open ruimte die de dansvloer moet voorstellen. Door de die opstelling en de veelvuldige herhaling van het woordje ‘rand’ kreeg die ruimte voor ons een symbolische betekenis. Het zou kunnen verwijzen naar het feit dat de man in het verhaal zich altijd eenzaam voelde en dus aan de rand staat van de samenleving. De banken in een uithoek van de ruimte staan dan ook symbool voor de positie die hij innam in zijn klasgroep, de grote groep in het midden en hij stond slechts langs de zijkant toe te kijken.

Ook de woestijn uit het liedje hotel california is zo’n ruimte en symboliseert de zoektocht van de man naar zijn plaats in het leven. Hij lijkt al jaren te zoeken naar de betekenis van zijn bestaan, maar lijkt het niet te vinden. Je kan ook dagen en zelfs weken ronddwalen in de woestijn zonder een uitweg te vinden. Het hotel uit datzelfde liedje kan dan weer de vicieuze cirkel van de man zijn leven weerspiegelen. Hij lijkt overal en altijd aan de rand te staan en geraakt niet uit die vicieuze cirkel van eenzaamheid. Het personage uit het liedje zelf zou aankloppen op de deur van het hotel zonder te weten of hij er ooit nog buiten zou geraken. De link is voor ons dan ook vanzelfsprekend. Op pagina 3 van het kortverhaal wordt dit ook bijna letterlijk bevestigd.

De jeugdherberg is de volgende ruimte die symbolisch is. De naam zelf zegt al dat zo’n herberg vooral bedoeld is voor de jeugd, maar het personage uit het verhaal is volwassen en toch verblijft hij daar. Dat zou erop kunnen wijzen dat hij niet kan breken met de gevoelens van eenzaamheid die zijn jeugd hem hebben meegegeven of dat hij nog steeds zo’n gevoelens ervaart.

De achterzaal die versierd is met veel kroonluchters en pluche doet ons weer terugdenken de eetzaal. Aan de omschrijvingen te zien waren ze beiden nog kitscherig. Dit keer plaatsen we de ruimte niet onder sfeerscheppend, maar onder symbolische omdat ook deze ruimte verwijst naar zijn jeugd waarvan hij niet los kan komen. Zovele jaren later belandt hij weer in dezelfde soort ruimte of algemener gezien in dezelfde situatie. De laatste symbolische ruimte is het Riverside Hotel en de rivier die ze op weg naar dat hotel moesten oversteken. Vanaf het moment dat hij daar binnenwandelt verandert zijn leven. In plaats van aan de kant te staan, slowt hij met Clarence. Een rivier heeft twee oevers en aan beide oevers kan zich een helemaal andere omgeving bevinden. Het personage heeft een figuurlijke oversteek gemaakt van eenzaamheid en geslotenheid naar vriendschap en openheid. Die oversteek maakte hij op de dansvloer van het Riverside Hotel. De rivier was dus de hindernis of in dit geval de herinnering die het personage achter zich moest kunnen laten. Al bestaat er nog twijfel over de vraag of hij wel effectief uit die eenzaamheid is kunnen ontsnappen, Clarence gaat namelijk toch weg op het einde.

 

1.4    Personages

 

De ik-persoon, de verteller en de protagonist zijn dezelfde persoon in dit verhaal. Hij is een jongen die in het eerste deel van het verhaal vermoedelijk 17 jaar oud is. Hij zegt namelijk dat dit het laatste jaar is dat hij geen alcohol mag drinken en in de periode dat het verhaal zich afspeelde mocht men in Nederland pas drinken van achttien jaar. Hij durft niet te slowen omdat hij kleiner is dan de meeste meisjes. In het tweede fragment is hij ongeveer negentwintig jaar (twaalf jaar later) en is hij belandt in een bepaalde sleur waaruit hij niet kan ontsnappen. Daarnaast is hij een jongen die veel nadenkt en overal symboliek achter zoekt. Wanneer hij het verhaal vertelt, kan hij nog veel details meegeven ook al lijkt het redelijk lang geleden. Hoewel we zijn herinneringen volgen, is hij eerder een flat character. We weten niet veel over hem. Er is slechts één eigenschap die duidelijk belicht wordt, namelijk zijn asociale gedrag. Over zijn gedachten en persoonlijkheid zelf wordt amper iets gezegd. Normaal maken deze soort personages niet echt een evolutie door doorheen een verhaal, maar die ene eigenschap die wel belicht is geweest, lijkt even te veranderen wanneer hij danst met Clarence. Je daarom zou dus voorzichtig kunnen spreken van een dynamisch personage. In het begin is hij namelijk een stille en verlegen jongen die niet durft te slowen met meisjes, maar op het einde vraagt hij Clarence ineens ten dans. Naast de protagonist is er ook een belangrijke antagonist of tegenspeler die pas in het tweede deel van het verhaal opduikt. We hebben het over dat meisje genaamd Clarence. Zij is een Frans meisje met lang, rossig blond haar. Hij komt haar tegen in de jeugdherberg in Ierland waar hij eerst alleen was. Zij rijdt paard en zou graag naar Connemara gaan. Verder spreekt ze Engels met een accent en is ze even groot als de ik-persoon. Ze danst met hem en drinkt enkel mineraalwater terwijl hij wel alcohol drinkt. Wanneer ze terugkomt in de jeugdherberg en de ik-persoon zat is, zegt ze dat ze gaat slapen. De beschermengelen weten dat ze de ik-persoon op de bank zal leggen en de volgende ochtend naar Connemara zal vertrekken. Zij is eerder een flat character omdat we niet zoveel over haar te weten komen.

Naast deze twee zijn er ook nog enkele nevenfiguren in het verhaal. De eerste zijn de beschermengelen. Al zouden we er wel over discussiëren of ze wel echt een personage zijn in het verhaal. Ze geven je wel een visie over de ik-persoon. Ze worden beschreven als twee oudere mannen met rimpels rond hun ogen, bontstola’s (bonten sjaals) om hun niet meer zo strak in het vel zittende nekken en de veren van hun vleugels moeten nodig eens worden gereinigd. Ze kijken naar de dansvloer met een cynisch-ironische blik van iemand die het allemaal eens eerder heeft gezien. Ten tweede zijn er de twee Amerikaanse muzikanten die optreden in The Commercial Arms in Ierland. Ze nemen de ik-persoon en Clarence mee in de auto naar Riverside Hotel. De gitarist kent hier mensen en wil ’s avonds Clarence zoenen waardoor hij ruzie krijgt met de pianist. Daarnaast spelen er ook nog figuranten mee in het verhaal: de portier en diskjockey van de kelder van Riverside Hotel; Amanda Min, het grote meisje waarmee de ik-persoon ooit danste; de medeleerlingen van het Chr. Regionaal Lyceum van Ede; de leraren die mee op kamp waren in Otterloo en de beheerder van de jeugdherberg in een dorpje bij de Atlantische kust in het zuiden van Ierland.

 

1.5    Verteller

 

Het verhaal Doe de Hotel California wordt verteld door een interne autodiëgetische verteller. De ik-persoon blikt terug op een gebeurtenis in het verleden waarin hij zelf een grote rol speelde. Aangezien het ik-personage de hoofdrol speelt in deze terugblik, is op pagina’s 1 tot 4 sprake van een ik-verteller. Deze verteller vertelt enorm veel details en denkt na over de symboliek van de eigen herinnering. Vanaf de zin “Mijn klasgenoten staan verbaasd toe te kijken.”, halverwege pagina 4 is er sprake van een vertellende ik. Deze soort verteller vertelt als ik-figuur wat hij als personage heeft beleefd. Hij doet dit, net zoals in het kortverhaal aan de hand van een terugblik.

 

2      Soorten vragen

2.1    Tekstinhoudelijke vraag

 

Doorheen het verhaal wordt er gesuggereerd dat het hoofdpersonage zich in een situatie bevindt waaruit hij niet kan ontsnappen. Geef drie voorbeelden van hoe men dat in de tekst duidelijk maakt.

 

Voorbeeld 1:

 

Op pagina drie zegt men dat het nummer Hotel California lang is en eens je erin zit kan je er niet meer uit. Daarnaast heeft het een lastige en hectische melodie die steeds opnieuw lijkt te beginnen. Dat vinden wij een mooie metafoor die verwijst naar de situatie waarin het personage zich bevindt.

 

Voorbeeld 2:

 

Op pagina vier wordt het volgende gezegd: ‘Eens de jongen de dansvloer opspringt en begint te dansen kan hij niet meer terug.’ Ook dit refereert naar de situatie.

 

Voorbeeld 3:

 

Op pagina acht staat dat hij nu wel heeft geslowd met een meisje, maar dat hij destijds de foto vanop de dansvloer nabesteld heeft en die blijft hem altijd achtervolgen. Hij kan het nooit achter zich laten. Ook dat verwijst naar de vicieuze cirkel.

2.2    Structureel-analytische vraag

In dat kortverhaal bevinden zich verschillende symbolische ruimtes. Kies er een en leg uit waar die symbool voor staat.

 

Een voorbeeld van een symbolische ruimte is de eetzaal, alle banken zijn er aan de kant geschoven en in het midden ligt een grote, open ruimte die de dansvloer moet voorstellen. Door de die opstelling en de veelvuldige herhaling van het woordje ‘rand’ kreeg die ruimte voor ons een symbolische betekenis. Het zou kunnen verwijzen naar het feit dat de man in het verhaal zich altijd eenzaam voelde en dus aan de rand staat van de samenleving. Hij hoort er niet bij. De banken in een uithoek van de ruimte staan dan ook symbool voor de positie die hij innam in zijn klasgroep, de grote groep in het midden en hij stond slechts langs de zijkant toe te kijken.

 

2.3    Leeservarende vraag

 

Het kortverhaal “Doe de Hotel California” is eigenlijk een grote metafoor voor het zoeken naar je plaats in de samenleving. Noteer de zin die je het meest aan het nadenken heeft gezet in verband met dit thema en verklaar waarom je net die zin koos.

 

“Ik sta er niet bij om omdat ik bij hen wil horen, maar omdat zij de enigen zijn waar je zomaar naast kan gaan staan.”

 

Wij hebben voor deze zin - te vinden op pagina 1 - gekozen, omdat je deze heel letterlijk kan interpreteren in de zoektocht naar een plaats in de maatschappij. Het hoofdpersonage denkt heel goed na over waar hij gaat staan, en welk imago hij zichzelf wil aanmeten. Dit is een keuze die elke jongere tijdens zijn puberjaren maakt. Hij doet dit al dan niet bewust. Verder kan je deze vraag ook betrekken bij het hokjesdenken dat onze samenleving momenteel typeert. Het zou volgens ons niet mogen dat je nadenkt over naast wie je net gaat staan als je bijvoorbeeld op de bus wacht. Het uiterlijk of de interesses die de man naast wie je je bevindt heeft, veranderen niets aan jouw persoonlijkheid.   

 

2.4    Tekstbeoordelende vraag

 

Wat denk jij dat men bedoelt met: “Er is niet mis met herinneringen, maar jeugdsentiment moesten ze doodschieten. Soms hoor ik mensen op ontspannen wijze herinneringen ophalen, en dan denk ik altijd dat ze die verzinnen, dat het dus eigenlijk helemaal geen herinneringen zijn.”

 

Mensen willen idealiter kunnen terugblikken op een goede en mooie jeugd, waardoor ze ook donkere herinneringen wat verdraaien. Ze verdraaien het op zo’n manier dat ze het zelf lijken te gevolgen en dat is niet ok. Mensen moeten ervoor durven uitkomen dat herinneringen ook negatief kunnen zijn. Dat leuke gevoel van jeugdsentiment moet dus geobjectiveerd worden.

 

Contact

litportfolio-hanneverheyden hanne.verheyden@student.kdg.be